| 6.1 Identificatie van de isolatiekleur: 6.1.1 Wanneer gekleurde isolatie wordt gebruikt voor de identificatie van geïsoleerde draadkernen, mag elke geïsoleerde draadkern slechts één kleur gebruiken, behalve de groen/gele combinatiekleur. 6.1.2 De kleuren van de isolatiekernen van een meeraderige kabel mogen niet groen en geel zijn, aangezien dit geen gecombineerde kleuren zijn. 6.1.2 Voor groen/geel geïsoleerde draadkernen moet één kleur ten minste 30% en niet meer dan 70% van het oppervlak van de geïsoleerde draadkern bedekken, en de andere kleur moet de rest bedekken en overal consistent zijn. 6.1.4 De Het voorkeurskleurenspectrum voor isolatiekleuring van kabels met vijf aders of minder is als volgt: 1 kern en 2 kern: geen voorkeur voor kleurenspectrum; 3 aders: groen/geel, blauw, bruin of bruin, zwart, grijs; 4 aders: groen/geel, bruin, zwart, grijs of blauw, bruin, zwart, grijs; 5-aderig: groen/geel, blauw, bruin, zwart, grijs of blauw, bruin, zwart, grijs, zwart. 6.1.5 Wanneer er speciale vereisten zijn voor chromatografie, kunnen de vraag- en aanbodpartijen onderhandelen en bepalen op basis van de eisen van de klant. 6.2 Isolatie digitale identificatie: 6.2.1 De isolatiekernen van kabels met meer dan twee aders mogen ook met nummers worden geïdentificeerd. De isolatie moet dezelfde kleur hebben en in natuurlijke volgorde worden gerangschikt van de binnenlaag naar de buitenlaag, te beginnen met isolatiekern nr. 1 (het wordt aanbevolen om witte cijfers op zwarte isolatie te printen), met uitzondering van de groen/gele isolatiekern (indien aanwezig). 6.2.2 Wanneer het bord uit één enkel cijfer bestaat, moet er een horizontale lijn onder het nummer worden toegevoegd. Als het bord uit twee cijfers bestaat, moeten deze verticaal worden geplaatst en moet er onder het laatste nummer een horizontale lijn worden toegevoegd. Het interval di tussen twee aangrenzende groepen getallen mag niet groter zijn dan 50 mm. De opstelling van de digitale identificatieborden is weergegeven in onderstaande figuur: |